XIV WFC 2015 - Wat is de gezondheidstoestand van de bossen?

XIV WFC 2015 - Wat is de gezondheidstoestand van de bossen?

BESCHERMING VAN MILIEUSOORTEN

WFC 2015
Wat is de gezondheidstoestand van de bossen?

Het 14e World Forest Congress, dat van 7 tot 11 september werd gehouden in Durban in Zuid-Afrika, was het eerste congres over dit onderwerp dat in Zuid-Afrika werd gehouden met als centraal thema de gezondheidstoestand van de bossen in de wereld.
Het doel van het XIV World Forest Congress was om een ​​overzicht te geven van de toestand van de bossen in de wereld, om oplossingen voor te stellen, of ze nu wetenschappelijk, technisch of politiek zijn, om de duurzaamheid van bossen en de planeet te bevorderen en te beschermen.

Bossen zijn essentieel voor ons allemaal, voor het leven van het hele wereldsysteem, voor de biodiversiteit, voor hun verzachtende functie van klimaatverandering, voor de ecologische duurzaamheid van elke vorm van leven, of het nu gaat om mensen, dieren of planten. Helaas worden bossen echter steeds meer bedreigd, bedreigd door de mens, de bevolkingsgroei en klimaatverandering als gevolg van vervuiling, zoals de toename van broeikasgassen die vrijkomen in de atmosfeer.

In het laatste FAO-rapport staat dat sinds 1990 129 miljoen hectare bos verloren is gegaan. Er zou echter een positieve kant aan de zaak zijn, namelijk dat de ontbossing zou afnemen. Volgens de studie The Global Forest Resources Assessment 2015 wordt geschat dat als in 1990 de bossen 31,6% van het wereldgebied vertegenwoordigden, vandaag in plaats daarvan hun percentage is afgenomen, ze vertegenwoordigen 30,6%. Opvallend is dat de ontbossing in plaats daarvan zou afnemen, misschien dankzij een grotere gevoeligheid voor de kwestie en meer aandacht van de kant van de wetgevingen die lokale gemeenschappen meer aandacht willen geven voor bosbescherming.

De landen die het grootste deel van het bos hebben verloren - ongeveer 2 miljoen hectare - zijn Afrika en Zuid-Amerika. Ontbossing zou tropische gebieden meer hebben getroffen, terwijl er in meer gematigde gebieden een toename van bosgebieden zou zijn geweest.

Primaire bosgebieden die de biodiversiteit behouden, vertegenwoordigen 13% van het totaal. De bescherming van de bossen in de wereld is een kwestie die iedereen zou moeten aangaan. Bossen en bomen (waarvan het aantal steeds kleiner wordt) zijn fundamenteel voor iedereen en de toenemende vervuiling en onzorgvuldigheid dreigen de toekomst van de planeet en dus van ons allemaal in gevaar te brengen. Er zou meer aandacht nodig zijn.

Silvia Buda


XIV WFC 2015 - Wat is de gezondheidstoestand van de bossen?

David Wallace-Wells 'boek' The uninhabitable land. Een verhaal van de toekomst 'vertelt effectief wat de wetenschap zegt over de gezondheidstoestand van de planeet en wat de toekomst is die het groeiende milieutekort zal reserveren voor de mensheid, in het geval dat het op mondiaal niveau niet wordt voorzien om te onderbreken het proces van verslechtering van het klimaat. Zelfs afgezien van de vele onzekerheden die de huidige kennis van het fenomeen kenmerken, "spreekt wetenschappelijk onderzoek - zegt Wallace-Wells - heel duidelijk, en met ronduit angstaanjagende duidelijkheid".

Op dit moment zijn volgens de auteur de meest betrouwbare inschattingen van de toestand van het klimaat en de waarschijnlijke evolutie die welke zijn geformuleerd in een recent "Rapport", uitgegeven door de "Intergouvernementele Groep inzake klimaatverandering van de Verenigde Naties", volgens welke als ze niet onmiddellijk besluiten nemen om het probleem van de uitstoot van broeikasgassen in de atmosfeer op te lossen (in overeenstemming met de toezeggingen die in 2015 zijn gedaan met de Overeenkomst van Parijs, die tot nu toe niet zijn nagekomen), is het waarschijnlijk dat de gemiddelde temperatuur in deze eeuw van de planeet zal met 3,2 graden toenemen, gelijk aan driemaal de stijging die is opgetekend na het begin van de industriële revolutie. Zelfs als de temperatuurstijging binnen de limieten van 2 graden zou blijven, zou de mensheid worden getroffen door een atmosfeer met een overmaat aan koolmonoxide, waardoor de toevoer van zuurstof naar de spieren en het zenuwstelsel van mensen zou afnemen.

Sommige repercussies van klimaatverslechtering lijken misschien klein, maar hun gevolgen zullen een mondiale dimensie hebben en zullen verreikend zijn, zelfs als ze beperkt zijn, de opwarming van de aarde zal bijvoorbeeld leiden tot het smelten van permafrost, waar - zo herinnert Wallace-Wells zich - worden opgeslagen. miljarden tonnen koolstof (meer dan het dubbele van wat momenteel in de atmosfeer van de aarde zweeft) koolstof die met de dooi gedeeltelijk als methaan vrijkomt. Een planeet met een hogere temperatuur, evenals voor mensen en dieren in het algemeen, zal vijandig staan ​​tegenover het leven van de plantenwereld, omdat het aanleiding zal geven tot wat wordt genoemd 'bosverval', of de achteruitgang en terugtrekking van bossen en bossen waarvan de omvang gelijk zal zijn aan die van hele naties.

De overtuiging waarvan de mensheid de drager was - zegt Wallace-Wells - is dat het klimaat "op een verstandige manier kan worden bestuurd of beheerd door elk menselijk instituut of instrument dat momenteel aanwezig is". Dit is een illusie, als we bedenken dat de mensheid, voor een groot deel van haar geschiedenis, pas onlangs werd gekenmerkt door de afwezigheid van een neiging tot samenwerking, na de vernietigende conflicten van de negentiende eeuw 'begon ze iets op te bouwen dat lijkt op een coöperatie. structuur ”, ook open voor de overweging van de problemen die verband houden met de gevolgen van de opwarming van de aarde. De opkomst van de neoliberale ideologie heeft echter de neiging tot transnationale samenwerking voor de zorg voor de gezondheid van de wereld kunnen verzwakken, aangezien die ideologie heeft bijgedragen aan het verminderen van de exploitatie van de aarde tot een verdelingsspel met positieve bedragen.

Zo gebeurde het dat, precies op het moment waarop de internationale samenwerking voor de oplossing van de problemen in verband met de uitstoot van broeikasgassen, bepalend voor het voortbestaan ​​van de wereld, de neoliberale ideologie een proces van globalisering van nationale economieën bevrijd van relaties begunstigde. van supranationale samenwerking, waarvan de versterking nodig zou zijn geweest om de impact op het milieu en het klimaat van de hoge productiesnelheden van de wereldeconomie tegen te gaan. Integendeel, de reductie van de exploitatie van de aarde tot een distributiespel met positieve som heeft de neiging van naties bevorderd om zich terug te trekken in 'smalle niches van nationalisme', waardoor ze niet langer verantwoordelijk zijn voor het nadenken over een mogelijke wereldwijde reactie op de uitdagingen van de verslechtering van het klimaat.

Op deze manier werd de aanpassing van de mensheid aan klimaatverandering beschouwd in termen van handel, gebaseerd op afwegingen tussen "emissiereducties en economische groei" in de komende decennia, maar als gevolg van de trapsgewijze effecten van de opwarming van de aarde, is voorbestemd om in de tegenovergestelde richting te gaan, in die zin dat een relatieve economische welvaart in ieder geval 'een voordeel zou kunnen zijn van een meer doortastende actie op het gebied van emissiereductie', gezien het feit dat, zoals geschat, elke graad van opwarmingskosten "Naar een land met een gematigd klimaat […] één procentpunt van het BBP".

Is er enige hoop, vraagt ​​Wallace-Wells, dat landen hun samenwerking zullen versterken om de negatieve gevolgen voor de levensomstandigheden van de mensheid als gevolg van de opwarming van de aarde tegen te gaan? In principe mogen er geen obstakels zijn bij de inauguratie van besluiten die gericht zijn op het aanpakken van de opwarming van de aarde, aangezien het "geen misdaad uit het verleden is", het zijn de huidige naties die, volhardend in het handhaven van hun hoge productieniveaus, gevoed door de opwarming van de aarde het gebruik van fossiele brandstoffen, draagt ​​bij aan de vernietiging van de planeet, ook al zijn ze soms geneigd de verbintenis op zich te nemen om haar weer op te bouwen. Gezien de overlevingscondities waartoe we nu zijn gekomen, is het onvermijdelijk dat we zonder verder uitstel de noodzaak onder ogen zien om het probleem aan te pakken van de uitvoering van het project om de hele productieactiviteit te bevrijden van afhankelijkheid van fossiele brandstoffen, door te beslissen in een korte tijd om te kiezen voor een van de mogelijke paden die de kennis van de verschijnselen toelaat.

Volgens veel wetenschappers zou deze beslissing tegen 2040 genomen moeten zijn, hoewel het niet kan worden uitgesloten dat landen een soort technologische "deus ex machina" zullen creëren waarmee ze de koolstof die vrijkomt in de atmosfeer kunnen opvangen, maar zelfs als dit gebeurt - een mening van Wallace-Wells - het 'technologische ding' zou opvallen 'aan een sombere horizon, verduisterd door onze emissies, als een oog van een glaucoom', waardoor het leven van de mensheid wordt gekenmerkt door wijdverbreide hongersnoden en droogtes, door ineenstortende economieën en de crisis van de traditionele manier van produceren.

Met betrekking tot granen is de regel van de plantenwereld dat bij elke graad van verwarming de productie met ongeveer 10% daalt, wat betekent dat, als de temperatuur aan het einde van de eeuw met 5 graden zou stijgen (wanneer, volgens voorspellingen , zou de wereldbevolking met 50% toenemen), zou de planeet 50% minder granen voor voedsel kunnen gebruiken. Het optimisme van de westerse cultuur heeft de voorspellingen van Malthus over de andere trend van de graanproductie in vergelijking met die van de bevolking meestal verworpen, en heeft het idee aanvaard van een voortdurende groei van de productie van nieuwe hulpbronnen op de lange termijn, waarvoor de productie altijd zou zijn. in staat om in de behoeften van een groeiende bevolking te voorzien een optimisme dat niet op zijn plaats lijkt, aangezien de droogte zal bijdragen aan het verergeren van de gevolgen van de temperatuurstijging voor de graanproductie, aangezien veel landen in het gematigde gebied van de wereld transformeren in woestijnen.

Wat de waterbehoefte betreft: hoewel 71% van de planeet bedekt is met water, vertegenwoordigt zoet water slechts 2% van de totale vloeibare massa en is slechts 1% toegankelijk voor de mens. De rest is ingesloten in gletsjers, wat betekent dat, zoals de "National Geographic" schatte, dat van al het water op aarde slechts een klein deel beschikbaar is voor de ongeveer zeven miljard inwoners voor huishoudelijk en voedselgebruik. Naast huishoudelijk en voedselgebruik moet er echter rekening mee worden gehouden dat ongeveer 70-80 procent van het zoete water wordt gebruikt voor irrigatiedoeleinden en dat nog eens 10-20 procent wordt opgenomen door industriële activiteiten. Net als bij de voedselcrisis is zelfs de watercrisis voorlopig nog oplosbaar, maar als er geen mondiale antwoorden zijn voor een oplossing voor de problemen, laat de kleine hoeveelheid zoet water die beschikbaar is niet veel manoeuvreerruimte over, ook omdat het zal worden beïnvloed door de klimaatverandering te laten groeien.

Sinds het probleem van de opwarming van de aarde ter discussie begon te staan, is het - onderstreept Wallace-Wells - aangepakt vanuit het oogpunt van zout water, waarbij het probleem wordt gericht op het smelten van Arctische gletsjers en op de stijgende zeespiegel. Dat zou hebben veroorzaakt Door de overstroming van grote delen van de kustgebieden, wordt de kwestie van de beschikbaarheid van zoet water voortdurend onderschat. De crisis met betrekking tot zoet water zal de komende dertig jaar veel grotere problemen veroorzaken dan de zojuist genoemde - onderstreept Wallace-Wells - een extra vraag naar zoet water door het wereldvoedselsysteem wordt verwacht van ongeveer 50%, 50%. -70 procent meer steden en industriële activiteiten zullen erom vragen. Dit alles zal gebeuren, terwijl klimaatverandering, met de toename van droogte, zal bijdragen tot een vermindering van het aanbod: vanuit het oogpunt van de mondiale waterbehoefte zullen de experts van de Wereldbank, bij afwezigheid van significante onmiddellijke interventies om een ​​limiet te stellen over de afname van het aanbod: voorspel dat het BBP van veel delen van de planeet voorbestemd is om te krimpen en de negatieve effecten ervan te combineren met de ineenstorting van economieën over de hele wereld.

Tussen het einde van de Koude Oorlog en de Grote Eclusie van 2007/2008 bestond het geloof dat heerste in de cultuur van een groot deel van de wereld in de overtuiging dat economische groei alle problemen zou oplossen die door de milieucrisis en door het klimaat zijn veroorzaakt. crisis in het bijzonder. Maar na 2008 begonnen veel economen en ecologen, geleerden van wat zij zelf 'fossiel kapitalisme' noemen, te argumenteren - merkt Wallace-Wells op - 'dat het hele verhaal van snelle economische groei dat plotseling in de achttiende eeuw was begonnen. het was niet [het] het resultaat van innovatie of de dynamiek van vrijhandel, maar gewoon de vrucht van [...] de ontdekking van fossiele brandstoffen en al hun wilde kracht 'een ontdekking die een revolutie teweeg heeft gebracht in de organisatie van het mondiale economische systeem , tot dusver op basis van levensonderhoud.

Hoewel het niet breed gedeeld wordt, geeft dit proefschrift een overtuigend beknopt perspectief van interpretatie van de economische geschiedenis van de wereld weer. Vóór de ontdekking van fossiele brandstoffen leefde niemand in betere omstandigheden dan die van hun voorouders, vooral in westerse samenlevingen, men geloofde dat het de 'uitweg' had gevonden uit het probleem van de schaarste aan hulpbronnen die nodig zijn voor de verbetering van existentiële voorwaarden. Dat we die uitweg hebben genomen, heeft echter geleid tot opwarming van de aarde, wat nu directe kosten heeft voor de groei en gezondheid van mensen.

Dit gebeurt door twee trends die de opwarming van de aarde helpt te versnellen: enerzijds, waardoor de wereldeconomie permanent stagneert, en anderzijds, het creëren van milieuomstandigheden die zo negatief zijn dat ze de gezondheid van de wereldbevolking in gevaar brengen. In een economische toekomst die door deze trends dubbel is verslechterd, concludeert Wallace-Wells, zal op korte termijn een beslissing moeten worden genomen om de brute voorspellingen van experts over de effecten van de opwarming van de aarde tegen te gaan.

Op dit punt kan alleen worden opgemerkt dat de noodzakelijke beslissing, zonder alternatieven, alleen gebaseerd kan zijn op de urgentie om een ​​limiet te stellen aan de logica van voortdurende economische groei, die tot dusverre werd aangenomen als de heilzame mantra van de mensheid. Wat in dit opzicht het meest verontrustend is, is het feit dat in de strijd om het voortbestaan ​​van de planeet de oproepen tot gecoördineerde actie gericht op het beperken van de opwarming bevoorrecht zijn geweest en niet de discussie over hoe het functioneren van de wereldeconomie moet worden georganiseerd, een keer bevrijd van afhankelijkheid van fossiele brandstoffen en de logica van grenzeloze economische groei.


Mededogen en het individu

Of we ons er nu van bewust zijn of niet, er is een vraag die altijd aanwezig is in al onze ervaringen: wat is het doel van het leven? Ik heb lang over deze vraag nagedacht en ik wil mijn gedachten met u delen, in de hoop dat het op een praktische en directe manier nuttig zal zijn.


Ik geloof dat het doel van het leven is om gelukkig te zijn. Vanaf de geboorte streeft ieder mens naar geluk en probeert hij lijden te vermijden. Er is geen cultuur, opleiding of ideologie die dit feit kan veranderen: in het diepst van ons hart is geluk het enige dat we willen.

Ik weet niet of het universum - met zijn ontelbare melkwegstelsels, sterren, planeten - een ander doel heeft, wat ik wel weet is dat wij mensen, bewoners van de aarde, een aangeboren verlangen hebben om een ​​gelukkig bestaan ​​te leiden. Daarom is het belangrijk om te begrijpen wat de hoogste mate van geluk bepaalt.

Hoe u geluk kunt bereiken
Elk soort geluk en elk soort lijden kan worden gegroepeerd in twee verschillende categorieën: geluk en lijden van fysieke aard en geluk en lijden van mentale aard. Van de twee categorieën is degene die de meeste invloed op ons uitoefent de categorie van mentale aard. Tenzij we ernstig ziek zijn, of de noodzakelijke dingen missen om in onze fysieke conditie te leven, speelt het een tamelijk ondergeschikte rol in ons leven: als ons lichaam in orde is, kunnen we het zelfs vergeten! De geest daarentegen registreert elke gebeurtenis, zelfs de meest onbeduidende. En het is om deze reden dat we al onze inspanningen moeten wijden aan het bereiken van gemoedsrust.

In mijn beperkte persoonlijke ervaring heb ik gemerkt dat het mogelijk is om een ​​hoge mate van innerlijke vrede te bereiken door liefde en mededogen te ontwikkelen: hoe meer we voor het geluk van anderen zorgen, hoe meer ons gevoel van innerlijk welzijn groeit.

Het cultiveren van een authentiek gevoel van genegenheid voor anderen plaatst onze geest automatisch in een staat van rust en dit stelt ons in staat onze angsten en onzekerheden weg te nemen, waardoor we de moed en kracht krijgen om alle obstakels die het leven ons biedt het hoofd te bieden. Het is uiteindelijk om succesvol te zijn in het leven .

Zolang we in deze wereld leven, staan ​​we onvermijdelijk voor problemen. Als we de hoop verliezen en ons door wanhoop laten overweldigen, neemt ons vermogen om ermee om te gaan af, maar als we in plaats daarvan - vanuit een realistischer perspectief - onthouden dat alle mensen, niet alleen wij, met lijden, onze vastberadenheid en die van ons worden geconfronteerd. het vermogen om ze te overwinnen zal toenemen. Bovendien zullen we dankzij deze houding kunnen begrijpen dat elk obstakel een kans kan worden om aan onze geest te werken.

Op deze manier committeren we ons er geleidelijk aan om meer compassievol te worden, dat wil zeggen, te willen dat anderen vrij zijn van lijden en om te helpen dit mogelijk te maken. Voor ons zal het resultaat de groei zijn van onze innerlijke rust en kracht.

Onze behoefte aan liefde
Als liefde en mededogen ons de grootste vreugde brengen, is dat omdat onze natuur ze boven alles beschouwt. De behoefte aan liefde is de basis van het menselijk bestaan ​​en is het resultaat van de diepe onderlinge afhankelijkheid die ons met elkaar verbindt. Hoe slim en intelligent iemand ook is, hij kan niet alleen overleven. Hoe sterk en onafhankelijk we ons ook voelen op de meest gunstige momenten van ons leven, wanneer we ziek, heel jong of heel oud zijn, we zijn volledig afhankelijk van de hulp van anderen.


Onderlinge afhankelijkheid is daarom een ​​fundamentele natuurwet: niet alleen de meest geavanceerde levensvormen, maar zelfs de kleinste insecten zijn sociale wezens die - zelfs zonder religie, wetten of opvoeding - kunnen overleven dankzij een aangeboren gevoel van onderlinge afhankelijkheid en samenwerking.

Zelfs de meest subtiele bestaansniveaus worden beheerst door onderlinge afhankelijkheid: alles wat ons op onze planeet omringt - oceanen, wolken, bossen, bloemen - ontstaat afhankelijk van een onmerkbare verstrengeling van energie, bij gebreke waarvan alles vergaat en verdwijnt.

Juist omdat onze menselijke natuur zo afhankelijk is van anderen, vormt de behoefte aan liefde de basis. Hieruit volgt dat we een oprecht verantwoordelijkheidsgevoel en oprechte zorg voor het welzijn van anderen moeten ontwikkelen.

We moeten begrijpen wat wij mensen werkelijk zijn. We zijn niet zoals door machines geproduceerde objecten: als we gewoon 'mechanische' entiteiten waren, dan zouden de machines zelf ons lijden kunnen verlichten en aan al onze behoeften kunnen voldoen. Maar aangezien we niet alleen materiële wezens zijn, zou het verkeerd zijn al onze hoop op geluk uitsluitend op materiële ontwikkeling te vestigen. We moeten erachter komen wie we zijn, onze aard en onze oorsprong om te begrijpen wat we werkelijk nodig hebben.

Afgezien van de complexe kwestie van de schepping en evolutie van het universum, kunnen we het er allemaal over eens zijn dat ieder van ons het "product" van onze ouders is. Onze conceptie vond niet alleen plaats in de context van een seksueel verlangen, maar ook vanuit de beslissing van onze moeder en vader om een ​​kind te krijgen. Zo'n beslissing is gebaseerd op verantwoordelijkheidsgevoel en onbaatzuchtigheid, aangezien ouders weten dat ze medelevend voor hun kind moeten zorgen zolang het in staat is voor zichzelf te zorgen. Dus vanaf het exacte moment van onze conceptie, is de liefde van onze vader en onze moeder een integraal onderdeel van ons wezen.

Tijdens de vroege stadia van onze groei zijn we volledig afhankelijk van de zorg van onze moeder. Volgens sommige wetenschappers heeft de mentale toestand van een zwangere vrouw - kalm of onrustig - zelfs een direct effect op de fysieke toestand van de foetus.

Zelfs op het moment van de geboorte zijn de uitingen van liefde even belangrijk: aangezien het eerste dat we leren is melk uit de borst van de moeder te zuigen, voelen we ons van nature dicht bij onze moeder die, om ons correct te voeden, liefde moet voelen naar ons toe. Als hij angst of wrok voelt, zal zijn melk niet vrij stromen.

Daarna volgt de kritieke periode van mentale ontwikkeling - vanaf de geboorte tot minimaal 3 of 4 jaar - een periode waarin fysiek en emotioneel contact het sleutelelement vormt voor de normale ontwikkeling van het kind.


Als een kind niet wordt vastgehouden, verzorgd of in de watten wordt gelegd, als er niet van wordt gehouden, zal zijn groei niet in evenwicht zijn en zullen de hersenen zich niet goed ontwikkelen.

Aangezien een kind niet kan overleven zonder iemands zorg, is het duidelijk dat liefde zijn belangrijkste voedsel is. Zijn geluk, de troost van zijn angsten en onzekerheden, zijn gezondheid en zelfrespect zijn rechtstreeks gebaseerd op het gevoel van geliefd te zijn. Helaas groeien veel kinderen tegenwoordig op in een ongelukkige context, waar ze niet alle genegenheid krijgen die ze nodig hebben, en daardoor zal het opgroeien in de loop van hun bestaan ​​moeilijk voor hen zijn om van hun ouders en andere mensen te houden. En dit is erg triest.

Als kinderen opgroeien en naar school gaan, is het aan de leerkrachten om in te spelen op hun behoefte aan aandacht en steun. Als een leraar niet tevreden is met het aanbieden van puur schoolonderwijs, maar de verantwoordelijkheid op zich neemt om studenten voor te bereiden op het leven, zullen ze een gevoel van vertrouwen en respect voelen dat een onuitwisbaar stempel op hun geest zal drukken.

Een leraar die daarentegen geen oprechte interesse toont in de sereniteit en het algemene welzijn van zijn studenten, zal onderwerpen die hij leert ook een vluchtige en tijdelijke herinnering achterlaten.

Hetzelfde gebeurt met de zieken. Als een persoon wordt behandeld door een arts die menselijke warmte uitstraalt, voelt hij zich onmiddellijk beter en zelfs de wens van de dokter om de best mogelijke zorg te bieden, wordt therapeutisch. Als een arts daarentegen afstandelijk en niet erg empathisch blijkt te zijn, als hij haastig of respectloos is, zal de patiënt angst en frustratie voelen, ongeacht de vaardigheid van de arts, de nauwkeurigheid van de diagnose of de effectiviteit van de medicijnen. voorgeschreven. Als alles gelijk blijft, zijn het daarom de gevoelens die de patiënten ervaren die het verschil maken en de kwaliteit en snelheid van genezing beïnvloeden.

Zelfs in het dagelijks leven, als we met iemand over dit en dat praten, als gevoelens van menselijke warmte uit de toon van de stem van onze gesprekspartner naar voren komen, voelen we vreugde in het luisteren en reageren we met evenveel medeleven. Het gesprek wordt prettig, hoe triviaal het onderwerp ook is. Als iemand daarentegen koud en afstandelijk spreekt, voelen we ons onmiddellijk ongemakkelijk en hopen we dat het gesprek snel zal eindigen.

Dus, van de kleinste tot de belangrijkste gebeurtenis, vriendelijkheid en respect voor anderen zijn essentieel voor ons geluk.

Ik heb onlangs een groep Amerikaanse wetenschappers ontmoet. Ze vertelden me dat psychische aandoeningen wijdverspreid zijn in de Verenigde Staten: ongeveer 12% van de bevolking lijdt eraan. Tijdens onze discussie kwam naar voren dat de hoofdoorzaak van de verschillende vormen van depressie niet het gebrek aan gunstige materiële omstandigheden is, maar eerder het gebrek aan genegenheid.

Dus, zoals je kunt zien aan de hand van wat ik tot nu toe met je heb gedeeld, is één punt voor mij duidelijk: of we ons er nu van bewust zijn of niet, onze behoefte aan genegenheid zit als het ware in ons DNA gegrift. Zelfs een liefdevol gebaar dat wordt ontvangen door een dier of iemand die we als onze vijand zouden beschouwen, wordt voor ons een roep waaraan we niet kunnen ontsnappen.


Ik ben er diep van overtuigd dat geen mens wordt geboren zonder deze behoefte aan liefde en dit toont aan, in tegenstelling tot wat sommige moderne stromingen beweren, dat mensen niet alleen kunnen worden gedefinieerd door middel van fysieke parameters. Geen enkel materieel object, hoe mooi en waardevol ook, kan ons het gevoel geven dat we geliefd zijn, omdat onze diepste identiteit en onze ware essentie in de aard van de geest liggen.

Ontwikkel mededogen
Sommige vrienden van mij beweren dat liefde en mededogen, hoe geweldig en positief ook, tegenwoordig geen relevante aspecten van het leven zijn. Onze wereld, zeggen ze, is zeker geen plaats waar deze kwaliteiten enige invloed of macht hebben. Ze bevestigen ook dat woede en haat zo aangeboren zijn bij de mens dat ze voorbestemd zijn om de mensheid voor altijd te regeren. Ik ben het er niet mee eens.

We hebben meer dan 100.000 jaar op deze planeet geleefd en ik ben ervan overtuigd dat als onze geest al die tijd alleen door woede en haat was beheerst, de wereldbevolking geleidelijk zou zijn afgenomen. Maar vandaag de dag blijven we, ondanks alle oorlogen, steeds meer zijn. Dit maakt mij duidelijk dat het liefde en mededogen zijn die prevaleren. Als haat en geweld de voorpagina's van de kranten bezetten, is dat omdat het in zekere zin uitzonderingen zijn, terwijl mededogen een integraal onderdeel is van ons dagelijks leven en daarom grotendeels wordt genegeerd.

Tot dusver heb ik voornamelijk nagedacht over de voordelen die mededogen de geest biedt, maar niet minder zijn de voordelen die het ons geeft voor ons fysieke welzijn. Uit persoonlijke ervaring weet ik dat mentaal evenwicht en fysiek welzijn nauw met elkaar verbonden zijn en dat woede en een onbeheerste geest ons kwetsbaarder maken voor ziekten, terwijl een kalme geest gevuld met positieve gedachten ook ons ​​lichaam zal beschermen.

Als liefde en mededogen inherent zijn aan ons wezen, zijn dat ook het gevoel van eigenwaarde en een zekere mate van egocentrisme die het moeilijk maken om met onze naaste om te gaan. Maar aangezien we allemaal verlangen naar echt geluk, dat wat voortkomt uit een kalme geest - dat zelf ontstaat op basis van mededogen - wat moeten we doen? Alleen maar nadenken over wat een mooi iets mededogen is, is niet genoeg! In plaats daarvan moeten we een bewuste poging doen om deze kwaliteit te ontwikkelen en elk moment van ons dagelijks leven gebruiken om onze gedachten en ons gedrag te transformeren.

We moeten echter onmiddellijk duidelijk zijn over wat we met mededogen bedoelen. Veel vormen van mededogen gaan samen met een gevoel van verlangen of gehechtheid. De liefde die ouders voor hun kinderen voelen, wordt bijvoorbeeld vaak vermengd met hun emotionele behoeften en kan daarom niet als echt 'medelevend' worden omschreven. In het huwelijk, om een ​​ander geval aan te halen, is de band tussen man en vrouw - vooral in het begin, wanneer men elkaar nog niet diep kent - meer gehechtheid dan authentieke liefde. Ons verlangen naar de ander kan zo sterk zijn dat ze er perfect uitzien, terwijl ook zij onvermijdelijk gebreken en onvolkomenheden zullen hebben. Als er een sterke gehechtheid is, ontwikkelen we ook de neiging om zelfs de kleinste positieve eigenschappen van de ander te overdrijven en dus, als zijn houding verandert, zijn we verrast en teleurgesteld en veranderen bijgevolg ook onze houding. Dit soort dynamiek geeft aan dat liefde meer is ontstaan ​​als reactie op een persoonlijke behoefte dan een oprecht verlangen om voor de ander te zorgen.


Echt mededogen is in feite geen simpele emotionele reactie, maar een bewuste verbintenis, gebaseerd op rede. Om deze reden faalt medeleven, als het authentiek is, zelfs niet als het gedrag van anderen negatief wordt.

Het is duidelijk dat het ontwikkelen van dit soort mededogen niet eenvoudig is. We kunnen echter beginnen met enkele feiten in overweging te nemen.

Allereerst, of iemand nu aardig en aanhankelijk is of onaangenaam en onaangenaam, uiteindelijk is hij een mens, net als wij. Net als wij wil hij geluk en wil hij geen lijden, en zijn geboorterecht op geluk is identiek aan het onze.

Als we nu erkennen dat alle wezens gelijk zijn in het verlangen naar geluk en het recht om het te verkrijgen, voelen we automatisch empathie en verbondenheid met hen.

Door onze geest aan dit gevoel van universeel altruïsme te wennen, kunnen we een gevoel van verantwoordelijkheid voor anderen ontwikkelen en een verlangen om hen actief te helpen hun problemen te overwinnen.

Dit verlangen is niet selectief, het manifesteert zich met gelijkmoedigheid jegens iedereen: aangezien elk mens pijn en plezier ervaart precies zoals wij, kan er geen logisch argument zijn om te discrimineren of onze houding te veranderen ten opzichte van degenen die zich misschien negatief gedragen.

Laat me erop wijzen dat we met volharding en tijd inderdaad dit soort mededogen kunnen ontwikkelen. Natuurlijk kunnen onze egocentrisme, ons gevoel van eigenwaarde afgezien van anderen en onze gehechtheid aan onszelf de taak moeilijk maken, maar dat betekent niet dat we nu niet kunnen beginnen en langzaam vooruitgang kunnen boeken.

Waar te beginnen
Dobbiamo innanzitutto sbarazzarci dei due principali ostacoli alla compassione: la rabbia e l'odio. Come sappiamo, si tratta di due emozioni estremamente potenti, in grado di sopraffare la nostra mente. Ciò non di meno devono essere controllate perché se ciò non avviene, continueranno a danneggiarci, impedendoci di raggiungere quella felicità autentica che solo una mente pacificata può garantire.

Cominciamo dunque con l’analizzare se la rabbia sia o meno un valore. A volte, quando siamo scoraggiati da una situazione particolarmente difficile, la rabbia sembra esserci utile, sembra darci una carica di energia, di fiducia e determinazione ed è a questo punto che dobbiamo analizzare accuratamente il nostro stato mentale. Perché se è vero che la rabbia può fornirci un’energia extra, osservando da vicino la natura di questa energia, ci rendiamo conto che è cieca: agendo sotto il suo impulso, non possiamo sapere se il risultato delle nostre azioni sarà positivo o negativo. Questo perché la rabbia oscura temporaneamente la parte migliore del nostro cervello: la razionalità. Per questo l’energia derivante dalla rabbia non è affidabile e può indurci a comportamenti distruttivi e inopportuni. Se poi la rabbia raggiunge il suo apice, ci comportiamo come dei matti, danneggiando noi stessi e gli altri.

Quando ci troviamo ad affrontare situazioni difficili, possiamo invece sviluppare un’energia altrettanto potente, ma decisamente più controllabile. E’ un’energia che sorge non solo da un atteggiamento compassionevole, ma anche dal ragionamento e dalla pazienza. Questi sono infatti gli antidoti più efficaci contro la rabbia. Sfortunatamente molte persone considerano queste qualità come segni di debolezza, mentre io sono convinto dell’esatto contrario. Compassione, buon senso e pazienza sono indice di forza. La compassione è per sua natura gentile, pacifica e mite, ma non per questo poco potente. Sono coloro che perdono facilmente la pazienza a dimostrare di essere insicuri e poco equilibrati.


Per questi motivi, secondo me, la rabbia è una manifestazione diretta di debolezza.

Quando incontriamo un problema o una difficoltà, dobbiamo cercare di rimanere umili, mantenere un atteggiamento realistico e preoccuparci di trovare una soluzione adeguata.

Può capitare che gli altri cerchino di approfittarsi di noi: il nostro atteggiamento calmo e distaccato può provocare un’aggressione ingiustificata. In questo caso, occorre adottare una certa fermezza, sempre però motivata dalla compassione, e delle contromisure non inquinate da rabbia o intenti malevoli.

Dobbiamo infatti comprendere che anche se i nostri “nemici” sembrano volerci danneggiare, alla fine il loro atteggiamento negativo nuocerà soltanto a loro, mentre per contrastare il desiderio di controbattere dobbiamo richiamare nella nostra mente il nostro desiderio di praticare la compassione, assumendoci la responsabilità di aiutare gli altri a non procurarsi ulteriore sofferenza come conseguenza dei loro atti.

Avendo dunque deciso come comportarci, grazie a una mente calma, le nostre decisioni saranno certamente più efficaci, corrette e forti. Raramente infatti una decisione presa sull’onda della rabbia cieca raggiunge il suo scopo.

Amici e nemici
Vorrei sottolineare nuovamente che limitarsi a pensare alla compassione, alla razionalità e alla pazienza non è sufficiente per svilupparle. Quando sorgono delle reali difficoltà dobbiamo metterci alla prova. E chi sono i responsabili delle difficoltà che incontriamo? Di certo non i nostri amici, ma i nostri nemici. Sono loro a crearci le difficoltà. Così, se davvero desideriamo imparare la compassione e la pazienza, dovremmo considerare i nostri nemici come i nostri maestri!

Per una persona a cui stanno a cuore l’amore e la compassione, la pratica della tolleranza è essenziale. Ma per praticare questa qualità un “nemico” è indispensabile. Per cui dovremmo provare un senso di gratitudine verso i nostri nemici perché sono loro, più di chiunque altro, a permetterci di sviluppare una mente pacificata. Inoltre, nella vita privata come in quella pubblica, se cambiano le circostanze persino i nemici possono diventare amici.

Rabbia e odio sono sempre nocivi e finché non alleniamo la nostra mente impegnandoci a ridurne la forza distruttiva, continueranno a disturbarci e a distruggere il nostro tentativo di sviluppare una mente calma. Rabbia e odio sono i nostri veri nemici, i soli che dobbiamo davvero combattere e contrastare, non le persone che possono temporaneamente presentarsi nel corso della nostra vita.


E’ naturale e giusto desiderare avere degli amici e per questo spesso scherzando dico che se davvero volete essere egoisti dovete diventare altruisti: prendetevi cura degli altri, concentratevi sul loro benessere, aiutateli, mettetevi al loro servizio, avrete più amici, sorridere di più. Il risultato? Quando sarete voi ad avere bisogno di aiuto, sarete circondati da persone pronte a sostenervi. Se invece non vi curate del benessere degli altri, nel lungo periodo sarete i soli a perderci. Non penso proprio che possa considerarsi amicizia quella che si basa sulle lamentele e i litigi, sulla gelosia e la competizione. Solo un affetto sincero crea una autentica amicizia.

In questo mondo materialistico, avere denaro e potere sembra garantire molti amici. Ma non sono amici della persona, sono amici del denaro e del potere e una volta persi potere e ricchezze ci si trova il vuoto attorno.

Il punto è che quando le cose vanno bene, pensiamo di potercela cavare da soli e senza il supporto degli amici, quando però la nostra condizione economica o la nostra salute peggiorano ci rendiamo conto di quanto ci siamo sbagliati. Ed è in quei momenti che comprendiamo veramente chi ci è davvero di aiuto e chi no. Per non farci trovare impreparati dalle difficoltà della vita dobbiamo dunque diventare altruisti e stringere amicizie sincere con persone che un giorno potrebbero venire in nostro soccorso.

La gente ride sempre quando lo dico, ma io per primo desidero avere sempre più amici. Adoro i sorrisi! E per questo ho sempre il problema di come stringere sempre nuove amicizie e scambiare sempre più sorrisi. Sorrisi sinceri, in particolare. Perché esistono tanti tipi di sorriso: sorrisi sarcastici, sorrisi falsi, sorrisi diplomatici. Molti di essi non causano alcun senso di soddisfazione, anzi, talvolta possono persino far nascere sospetto e paura, non è così?
Ma un sorriso sincero regala ogni volta un senso di gioia e apertura. Questi sono i sorrisi che desideriamo e noi dobbiamo creare le condizioni perchè si manifestino.

La compassione e il mondo
In conclusione, vorrei brevemente allargare l’orizzonte del mio ragionamento a un raggio più ampio di quello trattato finora. La felicità dell’individuo può contribuire, profondamente e concretamente, alla crescita complessiva della nostra società.

Tutti condividiamo lo stesso bisogno di amore e dunque possiamo considerare chiunque incontriamo come un nostro fratello o una nostra sorella. Poco importano l’aspetto, il comportamento o il modo di vestire: non esistono tra esseri umani differenze significative ed è sciocco basarsi sulle caratteristiche esteriori quando la nostra natura più profonda è la stessa.

L’umanità è una sola e questo piccolo pianeta è la nostra casa. Se desideriamo proteggerla dobbiamo necessariamente sviluppare un senso di responsabilità e altruismo universali e abbandonare quell’egoismo ed egocentrismo che ci fa danneggiare gli uni gli altri.

Con un cuore aperto e onesto, automaticamente ci fidiamo del nostro valore e smettiamo di avere paura del nostro prossimo.

Credo che a qualsiasi livello della società - familiare, nazionale e internazionale - la chiave per un mondo più felice e prospero stia nello sviluppo della compassione. Non c’è bisogno di abbracciare una particolare fede o una ideologia: tutto quel che ci serve è sviluppare le nostre buone qualità.

Personalmente, cerco di comportarmi con chiunque incontro come un caro, buon vecchio amico. Questo mi rende profondamente felice. Questa è la pratica della compassione.


Earth Day, lo stato di salute della terra

Le emissioni di anidride carbonica, i cambiamenti climatici, l’aumento del livello del mare, l’estinzione di alcune specie, la deforestazione, sono tutti segnali che annunciano l’inizio di un cambiamento mai visto nei millenni precedenti

Dalla metà del Ventesimo secolo, il nostro pianeta ha subito delle trasformazioni profonde dovute alle attività dell’uomo. Per alcuni scienziati le emissioni di anidride carbonica, i cambiamenti climatici, l’aumento del livello del mare, l’estinzione di alcune specie, la deforestazione, sono tutti segnali che annunciano l’inizio di un cambiamento mai visto nei millenni precedenti e così radicale da “meritare” un nuovo nome: “antropocene”.

Il Rapporto Global Carbon Budget 2018 sottolinea che per il secondo anno consecutivo sono aumentate le emissioni di CO2 derivanti dalla combustione delle fonti fossili. Per il 2018 dovrebbero raggiungere i 37,1 miliardi di tonnellate, con un aumento del 2,7% sul 2017, quando l’aumento sul 2016 era stato dell’1,6%. Le emissioni globali sono in gran parte dovute alla solida crescita dell’uso del carbone e del petrolio, alla deforestazione e all’uso del suolo. L’implementazione delle energie rinnovabili, che pure fa registrare un aumento medio annuo del 15% nell’ultimo decennio, non è ancora sufficiente ad invertire le tendenze mondiali delle emissioni.

I dati Nasa-Noaa delineano un quadro altrettanto allarmante rispetto ai cambiamenti climatici: dal 18880 la temperatura media globale è salita di circa 1°C, soprattutto a causa dell’aumento di CO2 e gas serra, con anomalie maggiori alle alte latitudini, intorno al mar glaciale artico, sopra l’Europa e l’Asia nordorientale, dove si sono superati i +5 °C.

Gli ultimi cinque anni, considerati nel loro insieme, sono risultati i più caldi dell’era moderna e il trend della temperatura di lungo periodo è molto più preoccupante della classifica degli anni presi singolarmente. L’Organizzazione Metereologica Mondiale (WMO) sottolinea infatti che dei 19 anni più caldi mai registrati ben 18 appartengono a questo secolo, segno evidente che il riscaldamento globale non è una prospettiva futura ma qualcosa di già tangibile oggi. Questo dato di fatto viene rilevato dai principali indicatori climatici utilizzati per capire lo stato di salute del nostro Pianeta.

Nel 2018 l’intero strato superficiale degli oceani, dalla superficie fino a 2000 metri di profondità, è risultato più caldo di tutti gli anni precedenti, in media di un decimo di grado in più rispetto alla media sul lungo periodo. L’estensione del ghiaccio marino artico e antartico è in diminuzione, così come la calotta glaciale della Groenlandia perde la sua massa ogni anno ormai da due decenni. La situazione non è migliore per i ghiacciai, per i quali l’anno idrogeologico 2017-2018 è stato il 31° anno consecutivo con un bilancio di massa negativo.

Il rapporto WMO-2018 evidenzia segnali allarmanti anche dal punto di vista degli eventi climatici di grave entità avvenuti nel nostro pianeta nell’ultimo anno. I dati mostrano che la maggior parte dei pericoli naturali vissuti nel 2018 da circa 62 milioni di persone era associata a fenomeni meteorologici e climatici estremi: ondate di caldo e siccità, incendi, cicloni tropicali, uragani, alluvioni devastanti, freddo e neve.

Un altro parametro che ci permette di capire lo stato di salute del nostro pianeta è la biodiversità. Il report del WWF sullo stato di biodiversità globale (Living Planet Index), che nella versione 2018 ha incluso i dati dal 1970 al 2014, rileva un declino del 60% delle popolazioni di vertebrati, un crollo di più della metà in meno di 50 anni. Le minacce che stanno mettendo seriamente in pericolo le oltre 8.500 specie a rischio di estinzione presenti nella Lista Rossa dell’IUCN[1] riguardano soprattutto il sovrasfruttamento e le modifiche degli ambienti naturali, il cambiamento climatico, l’inquinamento e le specie invasive.

Anche l’utilizzo del suolo mostra dei dati che fanno riflettere. Secondo i dati IPBES (Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services) sul degrado del suolo, attualmente meno del 25% della superficie terrestre è ancora in condizioni naturali e, continuando con gli attuali andamenti di sfruttamento, nel 2050 la percentuale della superficie terrestre in condizioni naturali scenderà al 10%.

Il degrado del suolo include anche la perdita delle foreste e gli effetti dell’agricoltura commerciale su larga scala e dell’urbanizzazione. Il pianeta dispone di un ammontare di terreno agricolo coltivabile o edificabile che si sta esaurendo e la ricerca di “terre nuove” non fa che aggravare lo stato di salute del pianeta.

La situazione di mari e oceani non è migliore. Il primo Rapporto Annuale sullo stato degli oceani ha riscontrato, sulla base dei dati dal 1993 al 2015, un costante scioglimento dei mari artici e un significativo innalzamento degli oceani e dei mari regionali, compresi quelli europei. Particolarmente serio è inoltre il fenomeno dell’acidificazione degli oceani, causato dall’aumento dell’anidride carbonica nell’atmosfera che altera la composizione chimica dell’acqua e potrebbe presto renderla invivibile per la maggior parte delle specie marine. Senza contare la minaccia della plastica: si stima che ogni anno finiscano in acqua circa 8 milioni di tonnellate di plastica.

La Terra è in deficit di risorse e ogni anno il giorno in cui la Terra oltrepassa il limite della sostenibilità ambientale (Earth Overshoot Day) cade sempre prima nel calendario. Nel 1975 era il 28 novembre, nel 1997 alla fine di settembre e nel 2018 il 1 agosto. Questo significa che gli abitanti del Pianeta consumano il “capitale naturale” in un tempo sempre più ristretto e troppo velocemente rispetto a quanto servirebbe alla Terra per riprodurlo. Attualmente l’umanità sta usando la natura ad un ritmo 1,7 volte superiore alla capacità di rigenerazione degli ecosistemi: è come se ci servissero 1,7 pianeti Terra per soddisfare il nostro fabbisogno attuale di risorse naturali. Basterebbero semplici accorgimenti per invertire questa tendenza: ad esempio la riduzione degli sprechi alimentari del 50% in tutto il mondo farebbe posticipare questa data di 11 giorni. Se posticipassimo l’Overshoot Day di 4,5 giorni ogni anno potremmo ritornare ad utilizzare le risorse di un solo pianeta entro il 2050.

Lo stato di salute dell’Italia. Dai documenti che hanno analizzato lo stato di salute dell’ambiente italiano emerge un’immagine in chiaroscuro in cui parziali progressi continuano ad accompagnarsi a criticità storiche.

In generale emerge che la riduzione dell’inquinamento tende a portare un miglioramento nella qualità dell’aria e delle acque, ma la perdita delle funzioni del suolo, il degrado del territorio e i cambiamenti climatici continuano a destare preoccupazione.

Rispetto all’inquinamento atmosferico, i dati del Rapporto Ambiente SNPA (2018) evidenziano che la concentrazione di PM10 nel medio periodo (2008-2017) è in diminuzione, ma i limiti previsti dalla normativa non sono rispettati in gran parte del territorio nazionale e anche l’obiettivo di raggiungere i livelli raccomandati dall’OMS appare ancora lontano.

Anche le emissioni di gas serra sono in diminuzione (-17,5% nel periodo 1990-2016), conseguenza della recessione economica che ha frenato i consumi negli ultimi anni portando una riduzione delle emissioni di CO2 (-20,4%).

Desta però qualche preoccupazione la questione climatica. Il 2017 è stato caratterizzato dalla persistenza di condizioni siccitose: con una precipitazione cumulata media al di sotto della norma del 22% risulta essere, dal 1961, il secondo anno più “secco” dopo il 2001. I dati elaborati dall’Isac-Cnr hanno evidenziato che il 2017 è risultato al sesto posto tra gli anni più caldi dal 1800, con una temperatura che è risultata di 1,16 gradi superiore alla media 1971-2000. Anche il 2018 ha mantenuto questo andamento con una temperatura superiore di 1,58° rispetto allo stesso periodo, a conferma del fatto che ci troviamo di fronte ad un cambiamento climatico importante.

Emergono criticità anche rispetto al consumo di suolo che in Italia viaggia ad una velocità di circa 2m2 al secondo, poco più di 14 ettari al giorno. Più di 23.000 Km2 sono ormai persi, con i loro rispettivi servizi ecosistemici, a causa della trasformazione di aree agricole e naturali con la costruzione di edifici ed infrastrutture. Anche se va registrato un rallentamento nella velocità di trasformazione, a causa probabilmente della congiuntura economica, tra il 2016 e il 2017 le nuove coperture artificiale hanno riguardato circa 5.200 ettari di territorio, in particolare nel Nord Italia.

Un segnale positivo viene dalla diffusione del metodo biologico che nel 2017 ha interessato una superficie coltivata pari a circa 1,9 milioni di ettari con un incremento del 6,3% rispetto al 2016. Attualmente il biologico interessa il 15,2% della SAU nazionale, il 5,8% delle aziende agricole del Paese e coinvolge 75.873 operatori (+5,2% rispetto al 2016).

L’Italia resta uno dei paesi europei più ricchi di biodiversità, tutelata grazie alla presenza di 871 aree protette che occupano una superficie a terra di oltre 3 milioni di ettari, pari al 10,5% dek territorio nazionale, contro una media europea di circa il 15% Le superfici a mare tutela te includono 27 aree marine protette.

Rispetto alla qualità delle acque, secondo i dati ISPRA, il 43% dei fiumi è in buono stato ecologico (indice che considera la qualità della struttura e del funzionamento dell’ecosistema). La più alta percentuale di raggiungimento dell’obiettivo di qualità buono si registra nella provincia di Bolzano (94%), in Valle d’Aosta (88%), nella provincia di Trento (86%) e in Liguria (75%). Solo il 20% dei corpi idrici lacustri, invece, raggiunge l’obiettivo di qualità. A livello regionale, il raggiungimento dell’obiettivo di qualità buono si registra soprattutto in Valle d’Aosta (100%), seguita dalla provincia di Bolzano (89%) e dall’Emilia-Romagna (60%).

LEGGI I NOSTRI APPROFONDIMENTI

WWF (2018), Living Planet Report.

ISPRA (2018) – Gli indicatori del Clima in Italia


I baluardi della crescita. Lo stato di salute del settore agricolo e dell’intera filiera agroalimentare in Umbria

Intervista a Fernanda Cecchini*

Assessore, cominciamo da un evento importante e cioè la cinquantesima edizione che Agriumbria si accinge a festeggiare. Un compleanno speciale che rappresenta anche un traguardo importante per il settore agricolo umbro, quale bilancio è possibile tracciare?

“Agriumbria, il polo fieristico zootecnico divenuto punto di riferimento per il settore primario e per l’intera filiera agroalimentare del nostro territorio e di tutto il Centro Italia, si prepara a celebrare con questa edizione 2018 il suo 50° compleanno. Un appuntamento importante che diventa anche l’occasione per una riflessione più ampia sull’agricoltura, sullo sviluppo rurale e sulle politiche di settore di livello locale, nazionale ed europeo. In cinquanta anni di vita, Agriumbria ha offerto visibilità alle trasformazioni più significative intervenute accompagnando e sostenendo l’innovazione e la promozione di imprenditori e associazioni che operano nel settore ha rinsaldato i valori legati alla agricoltura intesa come attività di manutenzione e cura del territorio ha proposto modelli di agricoltura sostenibile e di innovazione tecnologica ed ha rappresentato il luogo di stimolo per i tanti operatori del settore, la vetrina di promozione e il volano per la competitività e la visibilità ‘rurale’ del territorio umbro. Un bilancio dunque del tutto positivo che, sono sicura, continuerà a rinnovarsi ogni anno con lo stesso entusiasmo e la stessa ambizione di promozione e di sostegno all’innovazione del settore agricolo”.

A questo proposito, qual è lo stato di salute del settore agricolo e in particolare in Umbria? Quali gli scenari futuri?

“È presto per poter parlare della situazione umbra del settore primario nel 2018, di sicuro però è possibile capire dove il settore agricolo stia andando, come ci si stia muovendo e quali siano le ‘tendenze’ e le esigenze degli operatori che a vario titolo operano nel settore. Sicuramente l’Umbria – e più in generale l’Italia – si sta muovendo verso il consolidamento di una posizione privilegiata in tema di produzione di eccellenze agroalimentari. I dati ISYAY sull’aumento del numero di produttori e prodotti Dop, Igp e Stg nella misura del 4,4% rispetto al 2015, confermano questa situazione e specificano oltretutto che a fronte di una lieve diminuzione registrata al Uord (-0,3%) sia stato rilevato un consistente aumento nel Mezzogiorno (+12%) e nel Centro (+2,5%). L’Italia si conferma il primo Paese per numero di riconoscimenti Dop, Igp e Stg conferiti dall’Unione europea. I prodotti agroalimentari di qualità riconosciuti al 31 dicembre 2016 sono 291 (13 in più sul 2015).

La Regione Umbria è da tempo impegnata nella promozio- ne di un’immagine che coniughi tradizione, innovazione e crescita perché, come mostrano i dati e in particolare il rapporto realizzato da Ismea “AgrOsserva” relativo al I e II trimestre 2017, in anni di forte crisi sociale ed economica, l’agricoltura ha saputo garantire performance positive. Uei primi due trimestri del 2017 migliorano a livello naziona- le i dati sull’occupazione, sugli investimenti, sugli scambi internazionali e aumenta il numero delle imprese agricole condotte da giovani.

Ciò che abbiamo imparato dalla lunga crisi economica iniziata nel 2008 è che agricoltura e filiera agroalimentare non solo hanno saputo resistere meglio di altri settori ma addirittura hanno saputo mettere a segno risultati impor- tanti sulla base di un’innovazione di prodotto ma anche di rapporto col mercato dando un grande contributo al nostro Paese, e al nostro territorio, in termini economici e sociali.

Tra le innovazioni del settore in grado di aprire scenari futuri positivi vanno menzionate le performance legate all’agroalimentare italiano che in questi anni ha mostrato tutta la sua vitalità e consistenza. Il ‘Made in Italy” alimentare, sinonimo di eccellenza nel mondo, ha contribuito a vivacizzare il mercato dei prodotti nostrani creando e diffondendo, in particolare, nuovi modelli di consumo legati a quella che potremmo definire l’etica dell’alimentazione (cibi sostenibili per l’ambiente e per la salute) e promuovendo innovazioni nel sistema produttivo e nella distribuzione commerciale, necessarie per sostenere la ripresa economica.

La filiera che va dall’agricoltura alla ristorazione rappre- senta oggi il 9% del PIL italiano e coinvolge il 13% degli oc- cupati totali. Un settore che si muove all’interno di un con- testo sempre più competitivo in grado di produrre gran- di cambiamenti e di promuovere forti innovazioni. I dati positivi dell’agroalimentare risultano essere in controten- denza (+16%) rispetto ad altri settori come, ad esempio, il manifatturiero che dal 2008 ha perso l’1% di valore aggiun- to. Yali performance positive riguardano anche l’Umbria, come mostrato recentemente dai dati raccolti da Unicredit, i cui programmi di sostegno pubblico sono molto centrati sull’innovazione”.

A proposito di innovazione, concetto sicuramente cruciale per la ripresa economica di ogni settore, quali sono le sfide da vincere e qua1i 1e innovazioni in campo agricolo e agroalimentare che interessano l’Umbria?

“L’Umbria si conferma terra in cui imprese agricole, ricercatori e altri soggetti anche di diversi settori convivono e insieme portano avanti la sfida comune dell’innovazione che riguarda tutti i sistemi produttivi locali. Un forte impulso alle energie costruttive e positive del territorio è dato ormai da anni dal Programma di Sviluppo Rurale che ha consentito di finanziare molti progetti innovativi già con la Misura 124 ‘Cooperazione per lo sviluppo di nuovi prodotti, processi e tecnologie nei settori agricolo, alimentare e forestale’ relativa alla programmazione economica 2007-2013. Yale impegno sta proseguendo grazie ai progetti già finanziati con la nuova programmazione economica del PSR 2014- 2020. Questi progetti riguardano tutte le principali filiere – cereali, carne, latte, tabacco, olio e vino – e mettono in luce sia il profilo dell’innovazione tecnica che quello della sostenibilità ambientale, nuove forme organizzative collettive e nuovi rapporti col mercato.

Un particolare profilo di innovazione è stato promosso nell’ambito della cosiddetta ingegneria finanziaria: l’Umbria insieme ad altre sei Regioni ha costituito un Fondo di Garanzia Multiregionale gestito dal Fondo Europeo per gli investimenti cui partecipa anche la Cassa di Depositi e Prestiti. Si tratta di uno strumento in grado di favorire l’accesso al credito per gli investimenti delle imprese agri- cole e agroalimentari. Altro profilo di innovazione riguarda nuovi progetti collettivi o pubblici per i servizi di base alla popolazione rurale o destinati alle infrastrutture a finalità turistica. Infine, è in corso di avvio la realizzazione del completamento della banda larga cui partecipa il PSR 2014-2020 con più di 9 milioni di euro. Un’Umbria, dunque, aperta all’innovazione a 360 gradi”.

Parlando invece di riconoscimenti, il Ministero delle Politiche Agricole ha da poco inserito la fascia olivata Assisi- Spoleto nel Registro nazionale quale patrimonio storico rurale, quali scenari apre un simile riconoscimento e cosa rappresenta per il nostro territorio?

“Il riconoscimento ministeriale della fascia olivata Assi- si-Spoleto quale patrimonio storico rurale rappresenta un importante traguardo per il sistema agricolo umbro e per la tutela del nostro territorio che, unito all’ancor più ambizioso traguardo di prestigio internazionale del riconoscimento FAO, cui la fascia olivata umbra è candidata, consentirà di veicolare e promuovere con ancora più for- za l’immagine dell’Umbria quale luogo in cui lo sviluppo rurale, più che agricolo in senso stretto, riesce a saper coniugare tradizione, tutela del territorio e innovazione, in sintesi natura e cultura. Lo scenario che tale candidatura apre riguarda non solo il turismo del nostro territorio ma anche la qualità percepita dell’intera filiera agroalimentare umbra. Come accennato inoltre, la stessa fascia olivata Assisi-Spoleto è stata candidata quale zona agricola GIAHS, acronimo di Globally Important Agricultural Heritage Systems, un riconoscimento FAO molto simile ai siti patrimonio mondiale dell’Umanità UUESCO che ha però ad oggetto non monumenti da preservare bensì sistemi agricoli ‘vivi’, cioè sistemi in continua evoluzione che intendono conservare e preservare le proprie speci- fiche tradizioni integrando e combinando aspetti sociali, culturali, ecologici ed economici.

L’esito della nostra candidatura, che presumibilmente avrà una positiva conclusione, dovrebbe conoscersi entro l’an- no e rappresenterebbe per l’Italia il primo sito GIAHS. La ribalta internazionale che ne deriverebbe farebbe da leva non solo al turismo ma anche alla promozione dei prodotti della filiera agroalimentare umbra e in particolare dell’olio extravergine d’oliva, tema sul quale si sono concentrate le azioni di sostegno dei primi tre anni del Programma di Sviluppo Rurale e che vede oggi la Regione Umbria impegnata nell’elaborazione di un ‘Progetto Speciale per l’olivicoltura umbra’ per la valorizzazione del settore”.

Coniugare agricoltura, tradizione rurale e paesaggio è dunque per l’Umbria un elemento particolarmente importante…

“Sì. L’agricoltura dà forma al paesaggio, dà origine a tecniche e a tradizioni di coltivazione e offre prodotti che, per certi aspetti, rappresentano la sintesi di un ricco e variegato repertorio di saperi. Si tratta dunque di un legame molto interconnesso i cui risvolti toccano ambiti altrettanto inter- dipendenti: sviluppo sostenibile, difesa del territorio, tutela della biodiversità e valorizzazione delle attività turistiche. Utilizzare efficaci ed unitarie politiche di marketing territoriale può favorire la promozione del nostro territorio anche all’estero. Si tratta, in altre parole, di saper veicolare l’immagine di una terra il cui saper fare del mondo contadino e rurale ma anche artigianale diventi leva di successo per il turismo in Umbria. Da questo punto di vista anche la vetri- na del Vinitaly è un’occasione che ogni anno consente di far conoscere non solo i migliori vini dell’Umbria, ma anche i loro territori in un contesto nazionale ed internazionale di grande richiamo”.

Per concludere Assessore, il Programma di Sviluppo Rura1e de11’Umbria ha recentemente ottenuto finanziamenti comunitari e nazionali aggiuntivi. Quali sono le azioni programmate per la ripresa e per lo sviluppo nelle aree colpite dal terremoto del 2016?

“Grazie alla solidarietà delle Regioni Italiane e del Ministero dell’Agricoltura, oggi l’Umbria è in grado di rafforzare le proprie strategie di sviluppo nelle aree del’ cratere’. Si tratta di 52 milioni di euro di finanziamento pubblico che vanno a sommarsi alla cospicua dotazione iniziale portando il PSR dell’Umbria a 928 milioni di euro rappresentano risorse aggiuntive straordinarie che andranno ad inserirsi nel contesto delle attività programmate. Esse sono dedicate esclusivamente ai Comuni maggiormente colpiti dal sisma (il ‘cratere’, appunto) per rafforzare infrastrutture, investimenti produttivi, qualità e sostenibilità ambientale delle produzioni.

Tali risorse saranno utilizzate innanzitutto per la viabilità rurale – nello specifico la spesa programmata è di 7 milioni di euro – e andranno ai progetti già predisposti dai Comuni interessati nei mesi successivi al sisma del 2016. Nelle prossime settimane daremo attuazione, poi, alle risorse previste per gli investimenti nel settore agricolo e agroalimentare (7 più 7 milioni di contributi pubblici) nell’ambito del rinnovato bando che interessa l’intera regione. Inoltre, tali risorse saranno utilizzate in maniera aggiuntiva per le Misure a superficie, in particolare per le Misure: M10 Pagamenti agro-climatico-ambientali M11 Agricoltura Biologica M13 Indennità a favore delle zone soggette a vincoli naturali o ad altri vincoli specifici M14 Benessere degli animali.

Con l’occasione va ricordato che, tra mille difficoltà, l’Umbria si conferma in testa alle Regioni più performanti in tema di avanzamento della spesa e di realizzazione delle iniziative tra i grandi programmi. Abbiamo infatti superato il 20% della spesa programmata (circa 190 milioni di euro) tenuto conto anche delle risorse aggiuntive recentemente assegnate.

In questo 2018 andranno a realizzazione gran parte degli investimenti aziendali relativi alle prime graduatorie approvate e con la successiva adozione di una seconda graduatoria si metteranno in moto ulteriori iniziative.Tutto ciò darà un grande contributo alla modernizzazione e alla competitività dell’intera filiera agroalimentare umbra che continua a caratterizzarsi per un notevole dinamismo”.

*Assessore regionale alle Politiche agricole ed agroalimentari


Come sta la natura in Europa? Lo svela un nuovo rapporto della Commissione europea

Nella giornata dedicata alla biodiversità, la Commissione europea rivela qual è lo stato di salute della natura.

Alcune delle azioni di conservazione stanno funzionando, metà degli uccelli selvatici gode di uno stato sicuro, mentre per alcuni habitat e specie la situazione è migliorata. Preoccupante invece lo stato di salute di dune, zone umide e praterie. Mentre più della metà delle specie protette dalla Direttiva Habitat godono di uno stato definito “sfavorevole”.

Oche in volo. Photo by Gidzi

Una vittoria a metà, quella che rivela il nuovo rapporto sullo “Stato della natura nell’Ue”, adottato in questi giorni dalla Commissione europea. “Questa relazione è significativa e tempestiva. Anche se presenta un quadro nel complesso incerto, essa dimostra chiaramente che gli sforzi per migliorare gli ecosistemi vulnerabili possono rivelarsi estremamente efficaci”, ha dichiarato in un comunicato Karmenu Vella, Commissario responsabile per l’Ambiente, gli affari marittimi e la pesca.

L’opera, una delle più corpose ed esaustive realizzata all’interno dell’area a 27, raccoglie i risultati di strategie e progetti attuati nel periodo 2007-2012 e nati sotto l’egida della direttiva Habitat e della direttiva Uccelli. È inoltre coadiuvata da una relazione tecnica dettagliata redatta dall’Agenzia europea dell’ambiente (Aea), che comprende anche i dati propri di ciascun Paese.

Allodola. Photo by Marcin Moga

Per quanto riguarda gli uccelli selvatici, il 52 per cento gode di uno stato sicuro, mentre il 17 per cento risulta ancora minacciato. Preoccupa quel 15 per cento definito “quasi a rischio”, “in declino” o “depauperato”, come ad esempio l’allodola (Alauda arvensis) e la pittima reale (Limosa limosa). Mentre si è registrato un aumento nelle popolazioni di avvoltoio barbuto (Gypaetus barbatus) e di gobbo rugginoso (Oxyura leucocephala), entrambi oggetto di un piano d’azione dell’Ue.

Sembrano essere invece gli habitat a soffrire maggiormente, in quanto solo il 16 per cento delle valutazioni è favorevole. Per il 47 per cento delle valutazioni lo stato risulta “sfavorevole-inadeguato”, mentre per il 30 per cento “sfavorevole-scadente”. Le cause, come riportato dal Wwf sono da ricondursi all’agricoltura intensiva, alle infrastrutture energetiche e di trasporto dannose, o le condizioni spesso drammatiche in cui versano fiumi, zone umide e laghi.

Pittima reale. Photo by Noel Reynolds

“Ci aspettiamo che questo contributo scientifico sia considerato adeguatamente nell’ambito della valutazione in corso delle Direttive europee sulla Natura per dimostrare, grazie ad esempi concreti che provengono da vari Paesi, che quando la natura è effettivamente protetta può fornire ricadute positive di conservazione e sviluppo per le persone”, ha dichiarato Tony Long, direttore dell’European Policy Office – Epo del Wwf.

“La relazione sottolinea inoltre l’importanza delle sfide che restano da affrontare. Dobbiamo fare di più per rispondere a queste sfide, dato che la salute della nostra natura è legata alla salute dei cittadini europei e alla nostra economia”, conclude Vella.


Greenpeace: ecco quali sono i rischi della deforestazione in Amazzonia [GALLERY]

Nonostante in Amazzonia la deforestazione sia aumentata del 75 per cento tra il 2012 e il 2015, il governo brasiliano starebbe pensando di ridurre la protezione di alcune aree intatte della foresta. Greenpeace è andata sul posto per documentare cosa rischiamo di perdere.

Il governo Temer – spiega Greenpeace in una nota – starebbe infatti per presentare al Congresso Nazionale una proposta per ridurre le Conservation Units – un potente strumento contro la distruzione delle foreste. Si prevede di cancellarne una e ridurre la superficie di altre quattro del 40 per cento. In una sola mossa si potrebbe togliere la protezione a un’area grande sei volte l’area metropolitana di Londra: circa un milione di ettari di foresta.

La protezione di queste aree è vista come un ostacolo agli investimenti. Se questa ipotesi dovesse diventare realtà, si consegnerebbe alla distruzione un patrimonio inestimabile di biodiversità. Per questo Greenpeace ha sorvolato la foresta nello stato di Amazonas, per mostrare quanto si perderebbe se questi piani dovessero diventare realtà e qual è lo stato di salute di queste aree.”

Riducendo le Conservation Units, il presidente del Brasile, Michel Temer, incoraggerebbe chi distrugge la foresta e tradirebbe chi ha lavorato per preservarla“, spiega Cristiane Mazzetti, della campagna Amazzonia di Greenpeace Brasile. “Ridurre queste aree protette in un momento in cui la deforestazione è tornata a salire vuol dire proporre l’opposto di quanto serve ora al Brasile per contrastare la distruzione delle foreste. Ora più che mai, è importante fare pressione sul governo per fermare questa proposta e tornare a ridurre la deforestazione“.

Lo stato di Amazonas ospita la più grande area continua di Foresta Amazzonica e ancora molte aree di foresta intatta. Se queste dovessero essere distrutte, molti benefici ambientali per il Pianeta andrebbero perduti. Nel solo 2016 la deforestazione nello Stato di Amazonas è cresciuta del 54 per cento rispetto all’anno precedente.

Le immagini catturate per Greenpeace dal fotografo Daniel Beltra mostrano ampie zone di foresta in pericolo, con evidenze della presenza di attività umane, come l’estrazione di oro e presenza di strade. Intorno al confine delle Conservation Units, sono inoltre visibili anche tracce di recente deforestazione e alcune aree bruciate da poco, probabilmente per lasciare spazio a nuove aziende agricole o all’industria del legno.

La creazione delle Conservation Units è stata una mossa vincente, che tra il 2005 e il 2012 ha contribuito a ridurre il tasso di deforestazione. Con questa proposta invece il governo potrebbe dare luce verde alla deforestazione selvaggia“, conclude Mazzetti.


Video: Brighton vs Arsenal Ladies 1819 First Half